Column Willem Schoorstra

Er was eens een dorp in het noorden van Friesland, niet ver van de Waddenzee. De wind had er altijd vrij spel. Soms bracht hij de geur van de zee met zich mee, een ziltigheid waar de dorpelingen hun neus voor omhoog staken en als een oude vriend begroetten. Diezelfde wind blies al een eeuwigheid over de weiden en de akkers bij het dorp. Hij liet de donkere, vette klei glanzen, de vruchtbare grond die de beste aardappelen opbracht. Vogels bedienden zich van hem om hun weg te zoeken. Over de zee, in de kwelders, boven het land. Schapen vlijden zich als grijze wolken op de zeedijk neer. Daarachter prevelde het Wad. Een landschap, ontstaan sinds de laatste ijstijd, telkens in beweging, iedere dag nieuw en met iedere dag een andere aanblik. De mensen uit het dorp kwamen er op gezette tijden om hun ogen over de wijde horizon te laten gaan. Ze kenden het silhouet van de eilanden, verstonden het lispelen van het slib, wisten wanneer het hoog en laagwater werd. Het bestaan haalde traag adem, en de mensen ademden mee. Ze waren tevreden, ook al was het niet altijd gemakkelijk en moest er flink gewerkt worden.

Toen, op een dag, diende zich een bedrijf aan dat zich bezig hield met de productie van aardgas en aardolie. Het bleek namelijk dat onder het dorp, waar de wind altijd vrij spel had, een groot gasveld zat dat tot onder de Waddenzee doorliep. Het bedrijf wilde dat gas winnen. Daartoe diende er een boortoren in het dorp te komen, de grootste die het bedrijf had. Er dienden kilometerslange leidingen te worden aangelegd in en over de grond, die donkere, vette klei die de wind liet glanzen en de beste aardappelen opbracht. Rondom de boorlocatie diende een hoog hekwerk met geluidwerende isolatie te komen, in verband met het kabaal van generatoren. Het bedrijf had de plicht om op verschillende plekken tiltmeters te plaatsen, kastjes die het trillen en beven van de aarde konden registreren. 

Want dat de aarde zou gaan trillen en beven stond zwart op wit in diverse rapporten. De grond zou verzakken door het boren, voor en achter de zeedijk, daar waar het Wad nog lispelde en de vogels riepen. De kruin van de dijk zou eveneens verzakken. Dus was het zaak dat die verhoogd en versterkt ging worden. Het trage ademen van het bestaan in het dorp, waar de wind vrij spel had, stokte. Mensen werden onrustig. Zij begonnen zich te verzetten. Het bedrijf deed wat het altijd deed: heel hard roepen dat het allemaal wel meeviel, dat de mensen niet bang hoefden te zijn. Het strooide met beloftes zoals politici in verkiezingstijd. 

Het strooide ook met geld. Dat deden ze al decennialang, want daar werden mensen minder onrustig van. De gas- en aardoliemaatschappij had allang gemerkt dat idealen te koop waren, van die van de individuele burger tot aan de hoogste bestuurslagen toe. Dat het bedrijf niet precies wist wat de effecten van hun activiteiten zouden zijn –los van hetgeen al beschreven stond– hield haar niet tegen. Dat een oeroud landschap aangetast zou worden interesseerde haar niet. Net zo min als de mening van de dorpelingen. De geldzucht was sterker dan de wind die altijd vrij spel had. Was luider dan het lispelen van het Wad. Was onverzettelijker dan de donkere, vette klei die de beste aardappelen opbracht.